Batterie Deutschland - Bredene for dummies! (Designed by CyberDan.be)

Ga naar de inhoud

Batterie Deutschland

In beeld > Oorlog

1. De benaming van de batterij te Bredene : Deutschland

Een mesje die aan twee zijden snijden kan. Er is nergens terug te vinden in de Duitse archieven naar wat de batterij nu precies genoemd werd : naar het land of naar de schepen die deze naam droegen. Een artilleriespecialist heeft het over een geografische naam. Enkele historici opperen dat dit naar beiden gebeurde.
Inderdaad niet zo onlogisch. Enerzijds waren een aantal kustbatterijen vernoemd naar bekende personaliteiten en deelstaten, maar heel vaak ook naar schepen, forten,...

Het nationalisme zal er zeker in meegespeeld hebben om ook een batterij te vernoemen naar het thuisland, en wat was er dan beter om de macht van het thuisland aan te tonen door de allerzwaarste kustbatterij van het Marinekorps Flandern hier naar te vernoemen ?

Anderzijds waren er reeds enkele schepen die Deutschland noemden. Het schip die op dat ogenblik in de vaart was onder die naam was van dezelfde klasse als de Pommern, die gezonken werd in de slag bij Skagerrak. Wij verwijzen voor meer bijzonderheden over dit soort schepen naar het hoofdstuk over de batterij Pommern, omdat de beschrijving er beter gepast is zoals U zal kunnen lezen.

Vermelden we enkel dat de stapelloop van het schip gebeurde op de Germaniawerf te Kiel op 19 november 1904, in 1906 afgebouwd was en dat het onder andere deelnam aan de Skagerrak slag, waar zusterschip Pommern gezonken werd. Het schip werd in 1922 gesloopt.

Vermelden we volledigheidshalve toch nog de voorganger van dit schip, het pantserschip Deutschland stapel liep op 12 september 1874 te London bij de Samuda werf. Tot deze klasse behoorde ook SMS Kaiser. De bemanning bestond uit ongeveer 650 koppen. Deze schepen waren 85 meter lang, hadden een breedte van 19 meter en een diepgang van 7,5 meter. Waterverplaatsing 7650 ton en een maximum snelheid van 14,4 knopen.
Bewapening bestond in 1905 uit acht 26 cm kanonnen, acht 15 cm’s, acht 8,8 cm’s en twaalf 3,7 cm’s.

Toen de nieuwe Deutschland gebouwd werd, veranderde het schip van naam en werd het vanaf 1904 Hafenschiff Jupiter. Het werd gesloopt in 1910.

V. 2. Beschrijving van het batterijcomplex en de bescherming ervan :

De batterij was gelegen tussen Bredene en Klemskerke, in de zuidoostelijke nabijheid van het bekende landbouwhof waarnaar ze van Geallieerde zijde ook genoemd werd : Jacobinessen.

Zodoende lag ze ook tegen de verbindingsweg tussen Bredene en Klemskerke enerzijds en tegen het toenmalige traject van de buurtspoorwegen anderzijds.

Het was de allersterkste en zwaarste batterij van alle kustbatterijen van het Marinekorps Flandern. De batterij beschikte over vier 38 cm kanonnen.

De batterijen stonden niet klassiek met vier op een rij, doch slechts telkens met twee. Aan de uitzijden van iedere groep stond een munitiebunker ingeplant. Tussen de twee meest zuidelijk gelegen batterijen stond een bunkerinplanting waarin de elektro-aggregaten in opgesteld stonden, want de bediening van de stukken gebeurde volledig elektrisch !

Van de bouw van deze batterij zijn diverse foto’s bewaard gebleven zodat we ons een zeer goed idee kunnen vormen van de werkzaamheden. Eerst en vooral werd de betonnen kuip of geschutsbedding gegoten, de zogenaamde Kesselbettung. Daarna werd de grond weer aangevuld en werd de onderbouw gerealiseerd waarop het 38 cm stuk diende te rusten. Na de constructie hiervan volgde dan de bepantsering. Die werd er dus eerst op gebouwd. Er was een skelet die eerst rond en boven de onderbouw gemaakt werd en die met platen bekleed werd. Er werd begonnen met de twee grote zijplaten onderaan aan de voorkant. Dan volgde de rechte voorplaat beneden. Daarna volgden de twee grote zijplaten achteraan. Eén maal zo ver afgewerkt werd het kanon geplaatst met een kraan die op twee sporen liep aan beide zijden van de geschutsbedding. Een delicaat werkje hierbij was om de vuurloop van het stuk door het open gat in de bepantsering te duwen. Eén maal op zijn plaats gebeurde de verdere afwerking, te beginnen met de bovenplaat en dan de kleinere stukken aan de bovenzijkant vooraan en de schuine voorkant zelf.
In het geval van de batterij Deutschland vermelden we nog eens extra dat slechts één van de stukken een dergelijk pantser had.

De munitiebunkers waren allen identiek en met elkaar verbonden en er liep ten zuidwesten van de batterij een aftakking van de lijn van de buurtspoorwegen hiernaar toe. Diezelfde munitiespoorlijn kwam ten oosten van de batterij dan weer aansluiting zoeken op de buurtspoorweg. Wat dit munitiespoor zelf betreft, dient opgemerkt te worden dat dit aangepast was aan twee mogelijke spoorbreedtes, namelijk de 106,7 cm van de normale lijn van de buurtspoorwegen, en de 143,5 cm van de eigenlijke munitiespoorlijn.

De munitiespoorlijn liep dwars door alle munitiebunkers. Deze waren, net zoals de aggregaat bunker, volledig met een aardelaag afgedekt en met natuurlijk gras beplant en zagen er dan ook uit als moderne tumuli. Toch kon dit ze onmogelijk doen ontkomen aan de Geallieerde luchtverkenning.
De binnendeuren van de bunkers die uitkwamen op het spoor waren blijkbaar zware pantserdeuren, het is echter niet bekend hoe dik deze waren.

De munitiebunkers stonden dus iets achteruit van de stukken zelf. De spoorlijn kwam de bunker binnen en aan de zuidelijke zijde van dit spoor was enkel een betonnen wand. De eigenlijke bunker lag aan de andere kant. Hier waren twee brede ingangen te vinden aan beide uitzijden van de bunker. Deze gaven verbinding op een gang, waarin zich dan opnieuw drie kamers bevonden. Met de rug tegen de wand staande naar de spoorweglijn, had men een eerste kamer van ongeveer vijf op vier diep, gevolgd door een tweede dergelijk ruimte en de laatste kamer was even diep, doch slechts een drietal meter breed.
De bunkertunnel waardoor het spoor passeerde moet ongeveer om en bij de dertig meter geweest zijn.

Niet alle 38 cm stukken waren bepantserd. Slechts voor één stuk was het pantser toegekomen (namelijk het meest oostelijk gelegene), dat van de andere drie kanonnen bleef in bestelling tot het einde van de oorlog.

Het pantser van het ene stuk blijkt een dikte gehad te hebben van niet minder dan 65 mm.

Wat de betonnen kuipen betreft, waarin de stukken stonden, deze hadden een diameter van ruim 20 meter en waren op hun diepste punt ongeveer vijf meter. Het hoogste punt van het stuk zelf, al dan niet met pantser, stak ongeveer een meter hierboven uit.

De manschapbarakken stonden ten noordoosten van de stukken.

Rond de batterij zelf was er een dubbele gordel aangelegd voor de zogenaamde Nebeltrommeln, die in feite kunstmatige nevel verwekten, waardoor de batterij aan het zicht van de Geallieerden kon onttrokken worden, wat vooral belangrijk was op momenten dat de batterij ofwel zelf vuurde, ofwel bestookt werd. Een eerste gordel bevond zich op honderd meter en zou bestaan hebben uit 65 toestellen, terwijl de tweede gordel op vijfhonderd meter stond en uit 107 toestellen bestond.

De batterij beschikte over diverse waarnemingsposten en leidstanden. Zo was er de vuurleiding en hoofdobservatiepost in het Albertpark, eigenlijk een betonnen toren op een hoge duin van waaruit telefoonlijnen liepen naar de andere observatiebunkers. Deze vuurleidingpost was bekend als Hauptstand Batterie Deutschland - Katzbach. Dit waren het Hotel Belle Vue dat op de zeedijk gelegen was in Wenduine en met een post die Fulda genoemd werd en zich blijkbaar in Mariakerke bevond. Vermoedelijk gaat het hier om de naam van een villa op de dijk. Er was ook nog een derde op de zeedijk van Oostende blijkt.

Aan de Katzbach werd het ganse voorjaar van 1918 nog gewerkt. Eerst werden nog bijkomen MG standen gebouwd in januari (en later ook weer in mei) en op het einde van januari was men begonnen met de bouw van nieuwe barakken. Eerst blijken de manschappen en onderofficieren barakken te hebben gekregen en daarna pas de officieren. Hun barak was wel al afgewerkt in mei maar er werd ook een laag aarde boven geplaatst en er werd gras ingezaaid om deze te camoufleren.

Al de posten beschikten tevens ook over steelhandgranaten. Tot einde maart 1918 beschikte men over 160 stuks, in mei over 265 en in juni al over 300. Het is duidelijk dat de verslechterende toestand aan het front ook hier zorgde voor een zwaardere bewapening van de manschappen, zelfs tot in de batterijen.

Observatiegegevens en dergelijke kwamen echter ook nog toe langs andere wegen en dus niet alleen van voornoemde bronnen. We mogen niet vergeten dat Bredene ook beschikte over een Marine Fesselballon Abteilung !

Deze was er ‘geland’ omstreeks maart 1915 aan de achterzijde van de Bredense duinen. Er werd speciaal een loods voor opgetrokken bestaande uit een metalen gebinte en zeildoek. Er rond stonden her en der een aantal zogenaamde onderstanden, in feite dus schuilplaatsen opgetrokken onder een duin door middel van houten balken, plankwerk en soms metalen golfplaten.
Het personeel was ingekwartierd op het nabijgelegen Turkeyenhof.

De gebruikte ballonen waren van het typische Parseval-Sigsfeld type. De één of twee waarnemers in de rieten mand onder de ballon beschikten over een veldtelefoon als verbinding met de begane grond.

De Batterij Gross Herzog deed dienst als luchtafweerbescherming voor de ballon, die vaak een - doch gevaarlijk - doelwit vormden van de Geallieerde jachtvliegtuigen. Ook tegen het kanaal Brugge-Oostende, in de nabijheid waar tegenwoordig de oude Oostendesteenweg tegen het kanaal aan komt, stond een Feldflak batterij, vermoedelijk ging het hier om 3.7 cm flak, bij de Geallieerden bekend onder de benamingen Green Onions of Flaming Onions. Bepaalde bronnen vermelden dat drie van deze ballonnen te Bredene zouden neergehaald zijn door Britse vliegtuigen. En dat de eenheid daarna verhuisde naar Brugge Sint Michiels.
Als ze neergehaald werden, werden ze geclaimd, en als ze ook bevestigd werden moesten we ze ook nog kunnen terugvinden. Dat was niet meer dan logisch.

Op 20 oktober 1916 werd een ballon neergehaald nabij Oostende door Major Ernest William Norton van 6th Naval Sqdn. Zijn eerste overwinning van negen. Hij overleefde de oorlog en bleef bij de RAF.

Op 5 juni 1917 werd ook nabij Oostende een ballon neergehaald om 04.40 uur in de ochtend door Flight Sub Lt. Langley Frank Willard Smith van 4th Naval Sqdn. Zijn zesde van achte overwinningen. Hij verloor domweg het leven toen hij op 13 juni 1917 de Duitse marine eenheden van het vliegveld Nieuwmunster zat uit te dagen door boven hun vliegveld te stuntvliegen. Zijn Camel begaf het hierbij echter en hij stortte neer op het vliegveld ! Hij had ook al een andere ballon van de Marine neergehaald te Gistel-Zevecote op 9 mei 1917 om 08.00 uur.

We vinden op 16 september 1918 een ballon die neergehaald werd op vijf zeemijl ten oosten van Oostende door Lt. Thomas Walter Nash van 204 sqdn RAF om 11.35 uur. Het was zijn vijfde officiele overwinning van een totaal van acht. Op dat ogenblik vloog hij een Camel F3240. Op 23 oktober 1918 werd hij als vermist opgegeven. In feite was hij nabij Termonde neergehaalde door Fokker DVII toestellen van het Marine Jagdgeschwader.

Dus, het totaal blijkt inderdaad te kloppen. En allemaal door eenheden van de Royal Navy in feite. Logisch, gezien zij hier vaak een robbertje vochten met hun tegenhangers van het Marinekorps Flandern.

Rondom de batterij waren ook een aantal MG standen te vinden. Uit de Wochenberichte van de batterij weten we dat men in januari 1918 nog steeds bezig was deze standen uit en af te bouwen in de omgeving van de Kommandostand Katzbach.

In deze verslagen is tevens ook te lezen dat er in die periode van het jaar veel werk was betreffende het uitpompen van de diverse geschutsbeddingen.

V. 3. Geschiedenis :

De Deutschland was een onderdeel van de Kustenverteidigung West, II Artillerieabschnitt Ostende-West, bemand door de II Matrosen Artillerie Regiment met Regimentskommandeur Kap.z.S. Soffner en specifiek van de 1 Fernkampfgruppe Ostende-West van Gruppenkommandeur Korv.kap. Quassowski.

Commandanten van deze batterij waren achtereenvolgens Korvetten kapitän Quassowski en Kapitän Leutnant von Schröder, de zoon van de bevelvoerende admiraal von Schröder die zelf opklom tot de rang van admiraal en in 1941 verongelukte tijdens een vliegtuigongeluk.

Er zouden volgens Belgische bronnen ongeveer een 600 manschappen geweest zijn bij de batterij (dit cijfer zal ook wel overdreven geweest zijn, zie onze opmerkingen verder hierover onder de batterij Pommern). Enerzijds ingekwartierd in de eigen barakken en anderzijds bij burgers tot in Bredene dorp. Ook de scholen waren er bezet en men beschikte er ook over een kantine, feestzaal en lazaret. Ook de officieren verbleven er en hadden de pastorij aangeslagen om als mess dienst te doen. Dit was snel en eenvoudig bereikbaar met de tram en het schijnt dat er steeds een tram klaar stond in Bredene dorp om het personeel snel bij de batterij te kunnen brengen in geval van alarm.

De Deutschland batterij was ook bekend als de batterij Jacobinessen, genoemd naar een nabijgelegen hoeve.

De bouw van de batterij begon op 25 september 1915. Op Kerstmis van hetzelfde jaar kwam het eerste 38 cm stuk toe, het tweede in Januari 1916. De andere twee stukken volgden pas in november van hetzelfde jaar. Slechts één van de stukken had een bepantsering. Deze voor de andere stukken werd nooit geleverd, zoals reeds vermeld.


Er zouden ongeveer zevenhonderd man aan gewerkt hebben. Dit was een allegaartje van enerzijds een aantal mensen van bij Krupp zelf, Duits en Belgisch burgerlijk bouwkundig personeel, opgeeiste Belgische arbeiders en Russische krijgsgevangenen.

Het schijnt zelfs zo te zijn dat er nog in 1918 nog een bunker bijgebouwd werd. Hierover zijn ons echter geen gegevens bekend.

De aanvoer van de stukken gebeurde, klassiek via het spoor. Eerst met het normale tracé vanuit Duitsland naar Oostende en dan naar de locatie via een specifieke logistieke spoorlijn die aangelegd werd. Aan de kuipen liep dit spoor dan telkens uit tot de klassieke drie sporen die nodig waren om het stuk te kunnen plaatsen op zijn onderstel door middel van hijskranen.

Op 20 maart 1916 schoten de twee geleverde stukken voor de eerste keer, bij wijze van proef. Ze zouden echter pas voor het eerst operationeel gevuurd hebben op 20 mei 1917. In januari 1917 werden ook de laatst geleverde stukken getest. In maart 1917 waren de stukken in ieder geval actief, doch de batterij was pas volledig klaar tegen 3 mei 1917.

Op 5 juni 1917 vuurde de batterij voor het allereerst op een vijandig doelwit. Die dag vielen de monitoren Erebus en Terror Oostende aan, en vergezeld van een groot aantal destroyers en andere kleinere vaartuigen beschoten ze de stad, waarbij niet minder dan 115 obussen de stad troffen en ook de batterijen Tirpitz en Hindenburg in de brokken deelden. Niettegenstaande het tegenvuur van de Deutschland en de Tirpitz, die respectievelijk om 05.36 en 05.28 begonnen te schieten, hebben de Britten geen verliezen of brokken. Het is zo dat ze quasi ongenaakbaar waren vanwege het feit dat ze 24 km verwijderd waren en beschermd werden door een rookgordijn. Dit kon niet van Oostende gezegd worden. De duikboot UC70 en vier kleine vaartuigen werden getroffen en gezonken. De destroyer S55, torpedoboot A13 en de duikboten UC16 en UB38 liepen beschadigingen op, alsook de sluis en het station van Oostende. Ook in de stad vielen andermaal burgerslachtoffers.

Op 21 augustus dienden de batterijen Deutschland en Tirpitz opnieuw in actie te komen tegen de monitor Erebus die het andermaal gemunt had op de stad en laatstgenoemde batterij. Vanwege de artificiële rook en het tegenvuur gaven de Britten echter al snel hun poging op.

Op 31 augustus kreeg de batterij het bezoek van Geallieerde vliegtuigen en het duurde niet lang vooraleer vijf bommen op het complex afgegooid werden. Er was echter geen enkele schade.

Op 22 september was de monitor Terror weer een 25 km voor Oostende geankerd, vergezeld van een grote hoeveelheid andere vaartuigen en vliegtuigen. Doelwit is andermaal de stad en dit vanaf 06.30 uur. De observatievliegtuigen die helpen bij het inschieten van de batterijen Tirpitz en Deutschland werden reeds neergehaald voor ze ook maar iets van gegevens konden versturen naar hun thuisbasis. 36 obussen werden op de stad afgevuurd vooraleer de Terror zich terugtrok onder vuur van de Tirpitz. En de monitor had zijn naam alle eer aangedaan. 7 burgers werden gedood en 19 werden er gewond. Slechts 15 obussen raakten hun doelwit, waarbij schade gemaakt werd aan het arsenaal en een drijvend dok met aan boord de torpedoboten A13 en A45. In de stad deelde onder andere de Sint Pieters kerk in de brokken.

Drie dagen later waren Tirpitz en Deutschland weer actief tegen de monitor Terror die niet minder dan 30 obussen afvuurde naar Oostende met als doelwit andermaal het arsenaal en de ateliers van de firma Smis. Pech voor de Britten deze keer, want wat ze niet weten is dat sedert de vroege ochtend alle materiaal van Oostende werd overgebracht naar Brugge en Gent. Ook alle materiaal van het arsenaal en de andere werven zou in de volgende dagen naar deze havens overgebracht worden. In Oostende zouden enkel nog kleine reparaties gedaan worden in de toekomst.

Op 2 oktober was de batterij het doelwit van een bombardement uit de lucht, zonder ook maar enige erg blijkbaar.

Daarna schijnen de Geallieerden voorrang gegeven te hebben aan een ganse reeks bombardementen vanuit de lucht op allerlei militaire installaties, met een grote voorkeur voor de vliegvelden. De resultaten waren echter verre van een succes.
Het zal er ook wel mee te maken hebben gehad dat de Terror op 20 october geraakt werd door een torpedo toen het voor de verandering weer Oostende als doelwit had gekozen. En op 28 october leerde men aan boord van de Erebus ook een lesje, toen de monitor geraakt werd door een Fernlenkboot, in feite een vanop afstand bestuurd motorbootje met een zware springlading aan boord. De dubbele bodem van het schip werd zwaar beschadigd.

Op 19 december waren opnieuw twee monitors voor Oostende en ze hadden het dit keer gemunt op de batterijen Preussen en Deutschland. Het antwoord kwam echter van de Preussen en de Tirpitz, de Deutschland zweeg, en de monitors trokken zich terug.

Gedurende de maand januari gebruikte de batterij slechts één 38 cm granaat en het is ons niet bekend in welke omstandigheden. Feit is echter dat het hier niet om een oefengranaat ging, zoveel is zeker.

Op 18 februari vonden we opnieuw een Gefechtsbericht van de Deutschland. Omstreeks 12.33 uur werd de Preussen blijkbaar vanop zee beschoten, de monitoren waren weer in actie. De Preussen vuurde exact drie minuten later al terug, van gevechtsparaatheid gesproken ! De Deutschland volgde om 12.38 uur en schoot slechts drie keer. Daar de monitor stopte met vuren werd ook van Duitse zijde het vuur gestaakt om 12.43 uur !

Daarna bleef het blijkbaar meer dan een maand kalm. Pas op 21 maart waren zowel de Deutschland als de Preussen weer samen actief en weer lag een Britse monitor hiervan aan de basis.
Om 16.10 uur viel een eerste granaat te Oostende. Drie minuten later was de Preussen terug aan het vuren, en op hetzelfde moment opende ook de Deutschland het vuur. In totaal vuurde de batterij 13 keer en voor de laatste keer om 16.31 uur. De Preussen vuurde exact het dubbele aantal keer. Feit is dat het artillerie observatievliegtuig te laat opsteeg om nog van dienst te zijn, daar het pas om 16.48 klaar was om te observeren en te helpen inschieten.

Op 11 april waren de beide batterijen opnieuw actief tegen een monitor. Om 01.09 uur werd Oostende opgeschrikt door de eerste inslag. Blijkbaar was het ‘s nachts moeilijker om iedereen op z’n gevechtspost te krijgen. De Deutschland was actief om 01.30 uur en schoot opnieuw 13 keer. De Preussen begon een minuut vroeger maar had allerlei problemen met de diverse stukken. Een aantal vijandelijke granaten sloegen in nabij de batterij en ééntje miste op 10 meter na de gevechtscentrale. Ook het militair hospitaal kreeg een voltreffer te verwerken.

Op 23 april om 00.16 uur werd het vuur geopend op een vijandelijke kruiser die blijkbaar vastgelopen was, door de batterij Preussen en om 00.29 uur door de Deutschland. De Deutschland vuurde 26 keer en de Preussen niet minder dan 84 keer. In totaal werden volgens het Duitse verslag drie kleinere kruisers opgemerkt. Twee van de vijandelijke kruisers liepen vast voor de kust. Deze kruisers werden blijkbaar door zijn manschappen verlaten en hierbij werd door andere kleine batterijen ook nog eens 1200 granaten op vijandelijke snelboten gelost. De Deutschland staakte het vuur om 01.15 uur.
Ook om 03.30 werd nog even gevuurd op de beide verlaten kruisers door een veldbatterij van de Deutschland en een MG van de Haupstand Deutschland had die nacht 1350 schoten gevuurd op een naar het oosten varend schip, die hierop naar het noorden afdraaide. De eerste blokkadepoging van de Britten op de haven van Oostende was een complete mislukking geworden. Het was St.-George’s Day 1918. Zeebrugge werd die nacht deels geblokkeerd. De twee vastgelopen kruisers waren in feite de HMS Sirius en de HMS Brilliant, die normaal in de havenmonding tot zinken dienden te worden gebracht. Hun rookgordijn die opgetrokken was ter bescherming had een omgekeerd effect en de rook ging niet naar de kust maar naar de beide blokschepen toe. Hierdoor zagen de beide blokschepen de havenmonding niet. Op de Brilliant zag men te laat dat men de zandbank naderde aan stuurboord en toen men de boeg wilde omgooien was het al te laat voor het trage blokschip. Men liep vast en terwijl men probeerde opnieuw vlot te raken werd het schip geramd door de Sirius aan de bakboordzijde van de achtersteven, waardoor het onherroepelijk vast kwam te zitten. De Sirius had op zijn laatste deel van de route reeds zoveel voltreffers te verwerken gehad, dat het schip reeds volop aan het zinken was.
Na de botsing draaide de Sirius en men deed nog een laatste poging om verder te varen. De oude dame had er echter genoeg van en was reeds zo ver gezonken dat ze ook vast kwam te zitten in het zand. Het is ons onbekend welk het derde schip was die men opmerkte. Mogelijks ging het hier om HMS Attentive.

Op 27 april beging men een blunder. Omstreeks 15.30 bemerkte men een aantal vijandelijke vliegtuigen en beschoot deze van op de MG standen van de Deutschland en Preussen. Een drie kwartier later vloog nog een vliegtuig over komende van de Spuikom en richting Deutschland vliegend. Meer dan 250 schoten werden door de MG standen op het toestel afgevuurd en het diende een noodlanding te maken in de duinen van Bredene. Bleek het hier toch wel niet om een eigen toestel te gaan, Albatros D 57145 van de I Marine Feldjagdstaffel met als piloot Lt. Heinrich Wessels, die er met de schrik vanaf kwam. De benzinetoevoer en de koeling van zijn toestel waren geraakt geweest.

In de nacht van 9 op 10 mei probeerden de Britten andermaal om de Oostendse haven te blokkeren. Om 02.45 uur werd alarm gegeven omdat vijandelijke monitoren de batterijen bestoken in de Oostendse haven. Men bemerkte een rookgordijn, bij dewelke men gebruik wilde maken om een kruiser met drie schoorstenen in de haveningang te doen zinken. Om 03.07 uur begonnen de Deutschland en de Preussen gelijktijdig te vuren op de kleine kruiser. De Preussen vuurde negen keer, de Deutschland meldde dit niet in het rapport. Feit is dat men om 03.35 nog elf schoten vuurde op een monitor en men dacht een drietal treffers te plaatsen. Tijdens de operatie werd door vijandelijke vliegtuigen ook een aantal lichtbommen afgegooid over de batterij.
Ook deze blokkadepoging mislukte en de Vindictive raakte weliswaar in de havenmonding maar werd er gezonken tegen de oostelijke pier aan waardoor ze in het geheel geen belemmering vormde voor de scheepvaart. Het schip was op het ogenblik dat het de kanaal en havenmonding invoer reeds niet meer dan een kapotgeschoten wrak, waarvan de bovenbouw zo goed als verdwenen was. Haar kapitein, Godsal was gedood op de brug, tijdens het laatste belangrijke en allesbepalende manoeuvre waarbij men van de westelijke naar de oostelijke pier voer, waar het in een totaal verkeerde positie vastliep.

Op 21 mei werd de stad om 14.10 vanop zee beschoten. De Fesselballon van Bredene deed observatie voor het vuren van de Preussen en later was ook een toestel in de lucht van de II Kustenflieger Abteilung om het inschieten te helpen op de vijandelijke monitor. De Deutschland opende om 14.16 uur het vuur doch er werden slechts twee schoten gelost, omdat de inslag niet kon waargenomen worden vanwege een rookgordijn. De Preussen vuurde blijkbaar in totaal 16 keer.

Exact een week later was de Deutschland andermaal actief tegen twee monitors. Exact om 12 uur over de middag openden deze het vuur en vier minuten later volgde er reeds een antwoord. In totaal werden vijf granaten afgevuurd, voldoende om beide schepen op de vlucht te jagen, daar het vuur blijkbaar direct zeer goed lag.

Drie dagen later kwamen de twee monitors terug. Men begon te vuren om 18.43 uur. Eerst tweemaal op de meest oostelijke, die direct er vanonder muisde en een derde en laatste keer op het andere schip om 18.52 uur die het voorbeeld van zijn collega volgde. Eén van de drie schoten blijkt tevens een blindganger geweest te zijn.
Om 19.18 uur kwamen de beide monitors weer in zicht en nu werd één keer gevuurd op de meest westelijke van beide. Blijkbaar was de boodschap ook reeds meer dan duidelijk want ze muisden er beide direct van onder.

Ook in de maand juni 1918 blijkt de batterij zeer actief geweest te zijn en tenslotte ook met het Bevrijdingsoffensief op 15, 16 en 17 oktober 1918. Op die laatste dag werden de stukken tevens vernietigd door hun gebruikers. Er zijn echter van deze periode geen rapporten teruggevonden. Het gaat hier om meldingen uit private dagboeken.

Doelwitten van deze batterij waren meestal vijandelijke schepen die zich te dicht bij de Vlaamse kust waagden en het front en Noord Frankrijk.

V. 4. De Deutschland batterij na de oorlog

Wat overblijft is te zien in de Batterijstraat te Bredene. En dat is in feite twee keer niets. Je moet al heel veel geluk hebben om nog iets te zien. Waar er niet over gebouwd is, zitten de resten meestal verscholen onder het duinenzand. En dat is een stukje grondvest hier en daar. Toch begon het helemaal anders voor de batterij na de oorlog.

De dienst der oorlogsoorden organiseerde hier al vlug een museum van de batterij Deutschland. De gronden werden aangekocht door het Bestuur van Domeinen en dus van de Belgische staat. Groot Oorlogsinvalide Leopold Degreef en echtgenote Jeanette werden aangesteld als conciërge en bewakers. Hun woonst werd één der vroeger houten manschapbarakken.
Eén van de bunkers werd prompt ingericht als museum waarin allerlei achtergebleven materiaal en munitie getoond werden.

In de barakken was ook een tentoonstelling te zien met oorlogsfoto’s en diverse documenten al dan niet met nauwe betrekking tot de batterij en de diverse beschietingen van op zee van de stad Oostende.

Vanzelfsprekend werden hier ook allerlei souvenirs verkocht, de klassieke postkaarten en andere kleine prullaria waarvan de opbrengst even klassiek ten goede kwam van het Werk van oorlogsverminkten en Wezen.

De bezoekers blijken vooral van Britse origine geweest te zijn, doch ook allerlei andere nationaliteiten kwamen langs en betaalden er in 1924 die ene Belgische frank ingang. Vier jaar later was de prijs al wat hoger, nl twee en een halve frank !

Ondertussen werd de overgebleven munitie onschadelijk gemaakt door Duitse krijgsgevangenen. Wat niet te ontwapenen viel moest tot ontploffing gebracht worden en dit bleek te gebeuren op een nabijgelegen stuk militair domein, een spektakel die telkens om 16 uur in de namiddag plaatsvond en die de museumbezoekers zelfs konden volgen vanuit een bunker !

1928 was echter ook het jaar waarin het duidelijk werd dat de interesse voor de zogenaamde oorlogsoorden sterk gedaald was. Het was dan ook niet zo verwonderlijk dat men de eerste twee stuks ontmantelde, een werkje die uitgevoerd werd door de Belgische Genie, en dit o.l.v. Kapitein Herkenne. Hoe meer echter ontmanteld werd, hoe minder aantrekkelijk de ganse zaak werd en uiteindelijk werden in mei 1939 de resterende twee Maxen openbaar verkocht om ze te doen verschroten.

Een jaar later werd de locatie weer bezet door het Belgische leger, ten gevolge van de inval van Duitslands Nazi Troepen in Belgie.
Er werd zelfs een nieuwe batterij opgesteld bestaande uit een zestal twaalf cm kanonnen van de 5de Artillerie. Hun doel was blijkbaar de bescherming van de middenkust ! Wat dus ook nooit nodig was...

Toen het Belgisch leger zich terugtrok, blijken de bunkers een paar keer gebruikt te zijn door burgers die op de loop waren voor het oorlogsgeweld, doch het duurde niet lang vooraleer de ‘teruggekomen Duitsers’ hun bunkers opnieuw in gebruik namen.

In de jaren vijftig werden de resten van het complex, zijnde dus de bunkers en de geschutsbeddingen gesloopt. Want men had overal beton nodig voor het aanleggen van allerlei landelijke wegen. Ook te Koekelare vinden we dit fenomeen terug.

Alle informatie op deze pagina zijn afkomstig van en met de medewerking van:

www.forumeerstewereldoorlog.nl
.

De foto's op deze pagina heb ik gevonden op verschillende website's op het internet...

Terug naar de inhoud